Kurt Tucholsky
vertaald door Toon Bartelds

Het vijfde jaargetijde
De mooiste tijd van het jaar, de mooiste tijd van je leven? Laat me even bij mezelf te rade gaan.

Het voorjaar? Die lange enigszins bleekzuchtige slungel, die met een krans van papieren bloemen op zijn hoofd
over de groene heuvels sjokt. Hij heeft een gele stok in zijn hand, en ziet er prerafaellitisch uit. Of hij pas uit
een tehuis voor asocialen is weggelopen; alles is lichtblauw en vol gerucht, de mussen sjirpen en wentelen zich
in de blauwe regenplassen, de knoppen barsten met een klein knalletje open, groene blaadjes steken
eigenwijs hun kopje... ach!
Ga op het dak zitten!... de wereld ziet er ongeschoren uit, de regen regent iedere dag dat het een lieve lust is,
alsof hij zeggen wil: ik ben zo nodig voor het gewas. Het voorjaar...?

De zomer? Het land ligt erbij als een drachtige koe; de velden hebben het razend druk, de wormen en de vogels
ook; de vogelverschrikkers doen zo verschrikkelijk hun best, dat de vogels niet meer kunnen van het lachen. De
ossen zweten, stoomploegen trekken loeiend hun voren door de velden; overal ontplooit zich een geweldige
activiteit. 's Nachts, als de nevel komt opzetten, rommelt het nog voort in de buik van de aarde; het hele land
wasemt van het werk, het groeit, het paart en plant zich voort; gistende sappen rijzen en dalen, merries
broeden, koeien zitten op hun eieren, eenden brengen levende jongen ter wereld; kleine piepende wolballetjes,
de haan - de haan, die oproerkraaier, het ware zinnebeeld van de zomer, hij pronkt met zijn potentie, hij bezit
het goddelijke elixer, hij is het symbool van de vruchtbaarheid. Hij wil het weten ook en barst demonstratief los
in een hels spektakel... De zomer...?

De herfst? Nors trekt de huid van de aarde zich samen. Kleumend hult zij zich in een dunne sluier. Regenbuien
vlagen over de velden en geselen de ontvleesde boomstompen die hun houten vingers omhoogsteken alsof ze
willen zweren dat ze insolvent zijn: Hier is niets meer te halen... Zo zien ze er ook uit... Niets te halen... De wind
komt met zijn deurwaardersexploit. Klagend en jammerend neemt hij de bocht, werpt zich met zwier in de
nauwe neuskanalen en baant zich een weg naar de schedelholte, want de wind krijgt provisie van de
oor-neus-en-keelartsen... bruine straatmodder spat hoog op... De zon is met vakantie aan de Riviera.
De herfst...?

En de winter? Er wordt een soort sneeuw geleverd die, als ze de aarde in zicht krijgt, onmiddellijk verandert in
vuiligheid; als het koud is, is het niet lekker koud, maar vochtig koud, vochtig...
Zet je een stap op het ijs, dan zegt het ijs krak en schiet er een barst in, zo'n kwaliteit is het! Soms ijzelt het,
dan zit de goede God, de brave oude baas, op zijn wattenwolken te genieten van de mensen die languit op
hun gezicht vallen...
De oostenwind is koud, de zonnestralen zijn koud, maar het koudst van al is de centrale verwarming.
De winter...?

'Nu kort en goed, meneer Hauser. Hier hebt u onze vier jaargetijden.
Welke mag het zijn?'
'Geen van de vier. De vijfde.'
'Die hebben we niet.'

Er is nog een vijfde jaargetijde. Luister maar:
Als de zomer voorbij is en de oogst binnengebracht is, als de natuur er haar gemak van neemt als een heel oud
paard dat van louter vermoeienis gaat liggen in zijn stal - als de late nazomer wegsterft en de vroege herfst nog
niet is aangevangen - dan komt het vijfde jaargetijde.

Nu is alles in ruste. De natuur houdt haar adem, in; op andere dagen ademt ze onmerkbaar, met een borst die
zachtjes op en neer gaat. Nu is alles voorbij; het baren, het rijpen, het groeien, het kuit-schieten en het
oogsten - nu is het voorbij. De bladeren en de struiken en het gras, ze zijn er nog wel, maar ze hebben op het
ogenblik geen enkel nut.
Afgezien van het feit of er in de natuur een diepere bedoeling schuilgaat, het raderwerk loopt niet meer. Het
staat stil.

Muggen dansen in het zwartgouden licht; in het licht; in het licht zijn werkelijk zwarte tinten, diep oud goud ligt
onder de beuken, pruimblauw op de heuvels... geen blaadje dat zich verroert, het is heel stil.
De kleuren zijn glanzend, het meer ziet eruit alsof het geschilderd is, het is heel stil. Een boot, die
stroomafwaarts glijdt. Vergaarde schatten worden uitgedeeld. Alles is in ruste.

Dit duurt vier, misschien acht dagen.

En dan gebeurt er iets.

Op een ochtend ruik je de herfst. Het is nog niet koud; het is niet winderig; er heeft zich eigenlijk niets
veranderd, en toch is alles anders. De dingen hebben een keer genomen - er is iets gebeurd. De dobbelsteen
bleef even in evenwicht, aarzelde... ja... ja... en viel toen op zijn andere kant. Nog lijkt alles hetzelfde als
gisteren; de bladeren, de bomen, de struiken maar toch is alles anders.
Het licht is helder, spindraden zweven door de lucht. Alles heeft plotseling een duwtje gekregen. De betovering
is weg, de ban is gebroken - en wat er overblijft is een duidelijke herfst. Hoeveel zul je er meemaken? Dit is er
een van.
Het wonder heeft misschien vier dagen geduurd, misschien vijf, en je wilde wel, dat het nooit, nooit voorbij zou
gaan. Het is de tijd van het jaar, waarin heren die niet meer zo jong zijn, ineens heel sentimenteel worden - het
is geen verlate verliefdheid, het is iets anders. Het is een optimistisch voorgevoel van de dood,
het blijde besef dat er een einde is. De late zomer, de vroege herfst, en dat wat daar tussen ligt.
Een korte tijd in het jaar.
Het is het vijfde en mooiste jaargetijde.


Kurt Tucholsky: Geboren 9-1-1890 te Berlijn, rechtenstudie aan de Berlijnse universiteit, 1913-19I5 redacteur van de 'Schaubühne'
onder de pseudoniemen Peter Panter, Theobald Tiger, Ignaz Wrobel en Kaspar Hauser, 1915-1918 soldaat, 1924 correspondent van
de 'Weltbühne' te Parijs, 1929 vestigt zich in Zweden, 1933 zijn boeken worden verboden en door de nazi's verbrand, 21-12-1935
beneemt zich te Hindċs/Zweden het leven.